March 16, 2026
“Zo hoort de overheid niet met burgers om te gaan”, concludeerde de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant in een vonnis van afgelopen week (ECLI:NL:RBOBR:2026:1572). Aan de orde was een geschil over een strook grond. Waterschap De Dommel pretendeerde daarvan eigenaar te zijn, maar de buurman (een particulier) gaf aan door verjaring eigenaar te zijn geworden. Dat leidde tot een summary proceedings. In dat kort geding werd het Waterschap verboden om nog pogingen te doen om de strook grond te ontruimen.
De rechter hekelde in het vonnis de “intimiderende wijze” waarop zij “een burger in een privaatrechtelijke kwestie het mes op de keel zet.” Gelet op die houding bestond voor de rechter “alle aanleiding aan dit verbod een dwangsom te verbinden.” En dat niet alleen, de rechter hoopt dat het vonnis “voor het Waterschap als een wake up-call heeft te gelden en dat ingezien wordt dat de grondhouding van het Waterschap tegenover de burger een ingrijpende aanpassing behoeft.”
Het komt niet vaak voor dat een rechter dergelijk felle bewoordingen kiest in een vonnis. Wat was hier aan de hand?
Het geschil betreft een in de basis betrekkelijk rechttoe-rechtaan kwestie. Het Waterschap is eigenaar van een strook grond. Een burger zegt eigenaar door verjaring te zijn geworden. Normaalgesproken leggen partijen hun geschil dan voor aan de rechter. Die bekijkt de kwestie dan aandachtig en bepaalt wie er gelijk heeft. Waterschap De Dommel had een andere strategie bedacht. De advocaat van het Waterschap heeft de burger namelijk laten weten dat het Waterschap zelf tot ontruiming over zou gaan:
“Zoals aangekondigd zal het waterschap daarom binnen afzienbare tijd zijn perceel [kadastrale aanduiding] (ged) op kosten van [eiser] (laten) ontruimen.”
en enkele weken later:
“Onder verwijzing naar de brief van 5 december jl., herhaal ik dat het waterschap op korte termijn de grondstrook op kosten van [eiser] zal (laten) ontruimen, in die zin dat de aanwezige verharding op het perceel [kadastrale aanduiding] (ged) wordt verwijderd.”
Het Waterschap kondigt dus aan voor eigen rechter te gaan spelen. Dat heet ‘eigenrichting’ en is niet toegestaan. Dergelijke handelingen kunnen onrechtmatig en zelfs strafbaar zijn. Dat heeft de advocaat van de burger dan ook aan het Waterschap laten weten. Die wilde echter niet van wijken weten:
“Kortom: Het is aan uw cliënte(n) of zij kosten wil(len) maken en deze zaak doorzet(ten). Mocht(en) zij inderdaad besluiten tot een kort geding dan hoor ik dat graag binnen uiterlijk 48 uur. Het waterschap zal tot het weghalen van de verharding op eigen perceel overgaan indien niet binnen 8 dagen na heden een kort geding aanhangig is gemaakt.”
De rechter is bepaald niet te spreken over deze houding van het Waterschap. Het uitgangspunt in zaken als deze, is namelijk dat het op de weg van het Waterschap ligt om een rechterlijk oordeel in te roepen en ontruiming te vorderen. Dat in plaats daarvan eigenrichting wordt aangekondigd, baart de rechtbank ‘grote zorgen’.
De voorzieningenrechter overweegt daarom:
“4.5 De voorzieningenrechter heeft met grote zorg kennisgenomen van de handelwijze van het Waterschap. Het geeft een regionaal openbaar lichaam geen pas zonder enige juridische basis aan te kondigen eigenrichting te plegen en vervolgens [eiser] als burger te verplichten om binnen een door het Waterschap bepaalde termijn een gerechtelijke procedure te beginnen om het Waterschap hiervan te weerhouden. Het is onbegrijpelijk dat een advocaat in dienst van het Waterschap op een dergelijke intimiderende wijze een burger in een privaatrechtelijke kwestie het mes op de keel zet. Het geeft ook te denken dat het dagelijks bestuur van het Waterschap bij het geven van de procesvolmacht aan hun advocaten geen aanleiding heeft gezien tot nader onderzoek en vervolgens te interveniëren. (…)”
Niet alleen staat die handelswijze haaks op de basisregels in een democratische rechtstaat, maar het is ook nog eens in strijd met het door het Waterschap zelf vastgestelde grondbeleid. Sterker nog, het Waterschap lijkt zelfs in te zien dat haar zaak in de verjaringskwestie zelf, niet per se heel sterk is:
(…) Juist het dagelijks bestuur moest ermee bekend zijn dat de handelwijze van het Waterschap waartegen [eiser] in kort geding opkomt niet strookt met de inhoud van het grondbeleid dat het dagelijks bestuur nog onlangs had vastgesteld. Uit dit beleid blijkt bovendien dat het Waterschap ermee bekend is dat het Waterschap in het verleden gebruik van gronden door derden regelmatig niet had vastgelegd, oneigenlijk gebruik nauwelijks aandacht kreeg en het Waterschap daardoor het risico liep door verjaring eigendom te verliezen. Met die wetenschap had het Waterschap extra zorgvuldigheid moeten betrachten bij privaatrechtelijke geschillen met burgers over vermeend onrechtmatig grondgebruik.”
Anders gezegd: het Waterschap mocht überhaupt geen eigenrichting toepassen en zich op intimiderende wijze opstellen, maar al helemaal niet aangezien zij heel goed wist dat zij wel eens ongelijk kon hebben over de eigendom van de grond.
De rechter verbiedt daarom de voorgenomen handelingen van het Waterschap en verbindt periodic penalty payments aan dat verbod. Dat is gezien de proceshouding van het Waterschap begrijpelijk, maar naar mijn mening is het wel een zorgelijke ontwikkeling dat dit nodig is. Het is jarenlang gemeengoed geweest dat de rechter geen dwangsommen toewijst in een procedure tegen de overheid. De overheid accepteerde namelijk als vanzelfsprekend een rechterlijke beslissing. Precies zoals dat hoort in een democratische samenleving die is gebaseerd op de Trias Politica. Helaas is het negeren van een rechterlijke uitspraak door een overheidsinstantie echt niet meer iets dat alleen in het Amerika van Trump plaatsvindt. Ook in Nederland gebeurt dit steeds vaker. Zo kreeg de gemeente Vlaardingen in januari van dit jaar dwangsommen opgelegd wegens het negeren van een eerdere rechterlijke uitspraak. Ook de gemeente Hollands Kroon legde eind 2025 een rechterlijke uitspraak naast zich neer. De wijze waarop het Waterschap in deze kwestie heeft geacteerd, past in deze ontwikkelingen. Ik sluit mij daarom aan bij de door de rechtbank uitgesproken hoop dat dit vonnis een wake up-call is. Niet alleen voor Waterschap De Dommel, maar voor overheden in het algemeen.