07 april 2026
Jij of je rechtsvoorgangers maken al jarenlang gebruik van een pad op het perceel van de buurman. In het Kadaster staat echter geen erfdienstbaarheid ingeschreven. Je kan dan wellicht een beroep doen op verjaring. Onder omstandigheden kan je er echter ook voor kiezen om een beroep te doen op oud recht. Onder oud recht bestond er namelijk een rechtsfiguur dat bekend is onder de naam ‘buurweg’. Vastgoedadvocaat Robert van Ewijk legt in dit blog uit wat een recht van buurweg is en hoe je er een beroep op kunt doen.
Onder het recht dat gold tot 1 januari 1992 is in artikel 719 BW (oud) bepaald:
“Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen buren gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.”
In dat artikel werd de zogenaamde ‘buurweg’ omschreven. Buurwegen zijn paden en wegen waaraan de eigenaren van erven een gemeenschappelijke bestemming hebben gegeven. Het is een voetpad, dreef of weg die voor meerdere buren als uitweg dient. Weliswaar is het een figuur dat alleen onder oud recht bestond, maar je kan er alsnog mee te maken krijgen. Mr. ir. F.M. van Cassel-van Zeeland schreef in WPNR 2014/7021 treffend: “Buurwegen: oud, afgeschaft maar nog altijd springlevend.”
Het verschil met een beroep op het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verjaring, is kort gezegd dat je daarvoor moet stellen en bewijzen dat je gedurende de tijd dat de verjaring liep, je hebt gedragen als bezitter van een erfdienstbaarheid en dat dit naar buiten toe kenbaar was. Als je toestemming had voor het gebruik, dan betekent dit doorgaans dat je je als gebruiker van het pad hebt gedragen en niet als bezitter van een erfdienstbaarheid. Het recht verjaart dan niet. Bij een buurweg staat een gegeven toestemming niet in de weg aan het ontstaan van het recht. Integendeel: die toestemming kan er dan juist op duiden dat de eigenaren van de erven een gemeenschappelijke bestemming aan de weg hebben gegeven, waardoor het recht van buurweg is ontstaan.
Voordat je in een geschil over een recht van overpad een standpunt inneemt, is het raadzaam om goed na te denken over de consequenties van de door jou te stellen feiten.
Er kan sprake zijn van een buurweg als een pad of weg voor 1992 een gemeenschappelijke bestemming is gegeven voor meerdere erven. Als het pad of de weg voor de invoering van het nieuwe BW langdurig en ongestoord op een bepaalde manier is gebruikt en die manier van gebruik past bij het gebruik als buurweg, dan bestaat het juridische vermoeden dat van een buurweg sprake is. Dit kan bijvoorbeeld bewezen worden met verklaringen van de omwonenden en de (oud-)eigenaren van de omliggende erven. Zie daarover HR 15 september 2006, NJ 2006/506 ECLI:NL:HR:2006:AX9402.
Een buurweg dat onder oud recht is ontstaan, is ook onder het nieuwe recht blijven bestaan. In artikel 160 Overgangswet nieuw BW staat namelijk:
“Het in werking treden van de wet brengt geen wijziging in de rechten, bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot een buurweg welke voordien is ontstaan; artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing op de bestemming tot zulk een buurweg.”
Het gevolg is dat de eigenaar van het erf waarover een buurweg loopt, zal moeten (blijven) dulden dat de buurweg als zodanig wordt gebruikt. Het enkele feit dat de aanwijzing als buurweg niet in het Kadaster is ingeschreven, is niet relevant. Dat blijkt uit het slot van het hierboven geciteerde artikel 160 Overgangswet nieuw BW. Het Kadaster geeft dan echter geen volledig beeld van de rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan het perceel. Dit kan tot geschillen aanleiding geven. Er kan dus voor gekozen worden om de buurweg te formaliseren, bijvoorbeeld door alsnog een erfdienstbaarheid in het Kadaster in te schrijven. Maar noodzakelijk is dat dus niet, maar dan blijft de onduidelijkheid bestaan.