matiging boete koopovereenkomst woning

Geen nadeel geleden? Rechter kan contractuele boete matigen!

Door: Nina Mantchev

08 oktober 2026

In koopovereenkomsten voor woningen wordt doorgaans een boeteclausule opgenomen, waarin is bepaald dat een partij die (ook na in gebreke te zijn gesteld) tekortkomt in de nakoming van de koopovereenkomst een boete verbeurd van 10% van de koopsom. Dat is altijd het geval als gebruik wordt gemaakt van de NVM-model koopovereenkomst of het Amsterdamse model koopovereenkomst.

Artikel 6:94 BW gaat over matiging van boetes. Op grond van die bepaling kan de rechter die boete op verzoek van de schuldenaar matigen, indien de redelijkheid en billijkheid dat “klaarblijkelijk eist”. Hoewel contractuele boetes over het algemeen niet zo snel worden gematigd, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat vorig jaar wel gedaan (ECLI:NL:GHARL:2025:8621). Doorslaggevend daarbij was dat de partij die betaling van de boete vorderde geen nadeel had geleden.

Het lijden van nadeel speelde een sleutelrol bij matigen boete

In die zaak was overeengekomen dat de nalatige partij een een boete van 10% van de koopprijs zou verbeuren indien de overeenkomst ontbonden zou worden. De verkoper ontbond de koopovereenkomst, omdat de koper het financieringsvoorbehoud op onjuiste gronden zou hebben ingeroepen. Het Gerechtshof oordeelde echter dat de verkoper geen aanspraak kon maken op de boete, omdat de ontbinding van de overeenkomst op een onjuiste grondslag rustte. Interessanter was echter wat het Gerechtshof daarna overwoog. Het Gerechtshof stelde vast dat zelfs wanneer de ontbinding juist zou zijn en de verkoper dus de boete mocht vorderen, deze op grond van artikel 6:94 BW zou worden gematigd tot nihil (€ 0,-).

Het Gerechtshof motiveerde dat als volgt:

“Op grond van artikel 6:94 BW heeft de rechter de mogelijkheid om op verlangen van de schuldenaar een contractuele boete te matigen. Volgens vaste rechtspraak kan voor matiging slechts grond zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Die maatstaf brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.”

De verkoper had de woning inmiddels al aan een derde verkocht voor een hogere prijs, waardoor geen schade was geleden. Het hof oordeelde dan ook dat in de gegeven omstandigheden matiging van de boete tot nihil voor de hand lag, nu de verkoper geen enkel nadeel heeft geleden.

Matiging van boete is uitzonderlijk

Voornoemde uitspraak is vrij uitzonderlijk. In het algemeen is het namelijk ongebruikelijk dat contractuele boetes door de rechter worden gematigd. De rechtbank Midden-Nederland bevestigt dat in een recente uitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2025:3070):

“De rechtbank begrijpt dat zo’n hoge boete altijd impact heeft, maar hier geldt als uitgangspunt dat als partijen zo een boete overeenkomen, zij daar aan zijn gebonden.”

In een andere uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2024:4404) overweegt de Rechtbank Noord-Holland met betrekking tot de verkoop van woningen dat de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen meebrengen “dat niet licht tot matiging van de boete kan worden overgegaan”.

Overigens blijkt ook uit de besproken uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat matiging uitzonderlijk is en dat daarvoor slechts ruimte is wanneer die boete tot een “buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt”.

Minder snel matiging als boete prikkel tot nakoming is

Volgens de Rechtbank Noord-Holland in de zojuist genoemde uitspraak, is een boetebeding gebruikelijk bij koopovereenkomsten van woningen. Bovendien bevat het een prikkel om de verplichtingen uit die overeenkomst na te komen. Dat betekent dat het niet matigen daarvan, bijdraagt aan de rechtszekerheid. Zodoende is de nodige terughoudendheid geboden bij het toewijzen van een verzoek tot matiging van de boete.