09 oktober 2025
Inhoudsopgave
Het Gerechtshof Den Haag heeft in een arrest van vorige week dinsdag (ECLI:NL:GHDHA:2025:2012) bepaald dat het bestuur van een kleine Vereniging van Eigenaren (VvE) terecht is ontslagen. Daarbij heeft het Hof ook een vervangende machtiging verleend voor het benoemen van een nieuw bestuur. Maar kan dat wel? Het Gerechtshof lijkt daar zelf ook aan te twijfelen, blijkt uit de tekst van zijn uitspraak. Advocaat Robert van Ewijk is gespecialiseerd in VvE-recht en bespreekt de uitspraak.
Het gaat in deze kwestie om een VvE uit Rotterdam. Die bestaat uit slechts twee leden. De leden van de VvE leven met elkaar in onmin en maken over van alles ruzie, ook over de vraag wie het bestuur mag vormen van de VvE. Een van de eigenaren heeft daarom een verzoekschrift ingediend voor het verlenen van een vervangende machtiging voor het ontslaan van het bestuur van de VvE. In de procedure in eerste aanleg (ECLI:NL:RBROT:2024:6160) heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen. De kantonrechter overweegt in zijn uitspraak van 31 mei 2024, naar mijn mening terecht, dat artikel 5:121 BW geen grondslag biedt voor het geven van een machtiging tot het ontslaan van een VvE bestuur.
Daarbij is de kantonrechter kritisch over een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2022 (ECLI:GHARL:2022:1126). Dat Gerechtshof bepaalde in die uitspraak dat een vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 BW ook verleend kan worden als het gaat om het ontbreken van medewerking aan benoeming of ontslag van een bestuurder. De Rotterdamse kantonrechter volgt die redenering niet. Die overweegt in plaats daarvan:
“2.5 (…) Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (Hof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:GHARL:2022:1126) is weliswaar geoordeeld dat artikel 5:121 BW ook een vervangende machtiging voor het benoemen of ontslaan van een bestuurder mogelijk maakt, maar het hof heeft daarbij niet inzichtelijk gemaakt en gemotiveerd hoe het via een toets aan artikel 5:121 BW tot deze conclusie is gekomen. Er is ook geen andere rechtspraak die het oordeel van het hof ondersteunt. Integendeel zelfs nu in de (lagere) rechtspraak het oordeel wordt ingenomen dat artikel 5:121 BW hiervoor geen grondslag biedt. De kantonrechter vindt dat er daarom onvoldoende reden is om in lijn met dit oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden te beslissen.”
Dat er geen andere rechtspraak is die het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden ondersteunt, is inmiddels achterhaald. Een collega van de kantonrechter die voornoemde uitspraak deed, gaf enkele maanden later namelijk een vervangende machtiging voor het aanstellen van een nieuw bestuur. In die uitspraak van 7 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:9677) wordt de machtiging onder verwijzing naar de hofuitspraak van 15 februari 2022 gegeven. Net zoals in die hofuitspraak uit 2022, heeft de kantonrechter in zijn uitspraak van oktober 2024 niet onderbouwd waarom artikel 5:121 BW daarvoor ruimte zou geven. Die verwijst slechts naar het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Voor de Rotterdamse kantonrechter in de onderhavige zaak, was het ontbreken van de motivering in die hofuitspraak reden om die niet te volgen.
Over de uitspraak van de kantonrechter die de vervangende machtiging voor het benoemen van een beheerder verleende, heb ik mij in een eerder blog kritisch uitgelaten. Dat blog lees je hier.
Het Gerechtshof Den Haag doet dat anders. Die motiveert wel waarom een vervangende machtiging zou kunnen worden gegeven waar het betreft de benoeming of het ontslag van bestuurders. Die redenering komt op het volgende neer:
Ik betwijfel echter of die redenering wel stand houdt. Hoewel ik begrijp dat er sprake is van een situatie in de VvE waarin er iets moet gebeuren, en hoewel ik de uitkomst van de procedure daarom in zekere zin wel wenselijk vind, ben ik het niet met de redenering van het Hof eens.
Allereerst de wettekst. De interpretatie van het Gerechtshof is dat feitelijke handelingen en rechtshandelingen die een directe relatie hebben met (ik citeer het Hof) “(het gebruik, beheer of onderhoud van) de gemeenschappelijke- of privé-gedeelten”, onder het toepassingsbereik van artikel 5:121 BW vallen. De wettekst luidt echter anders. Die gaat niet over (o.a.) het beheer van “gemeenschappelijke- of privé gedeelten”, maar om “handelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten” of handelingen “met betrekking tot gebruik, beheer en onderhoud van de privégedeelten.”
Ten eerste gaat het dus niet om handelingen met betrekking tot gebruik, beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten. Slechts feitelijke handelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten vallen eronder.
Ten tweede betreft de benoeming van een bestuurder of beheerder niet een ‘handeling met betrekking tot beheer’ van een gemeenschappelijke zaak of gemeenschappelijk gedeelte, maar een handeling met betrekking tot het besturen van de rechtspersoon. Dat één van de taken van dat bestuur het beheer omvat van de gemeenschappelijke gedeelten (maar niet de niet privé-gedeelten), maakt dat niet anders. Dat is een te ruime uitleg voor die bepaling.
Te meer omdat de wetsgeschiedenis deze ruime uitleg in de weg staat. In de memorie van toelichting bij artikel 875o (oud) BW (de voorganger van art. 5:121 BW) staat namelijk (MvT, Kamerstukken II 1970/71, 10987, nr. 3, p. 17):
“De gevallen waarin de toestemming van een appartementseigenaar vervangen kan worden door een machtiging van de rechter, zijn in het eerste lid nader omschreven. Het kan hier in de eerste plaats gaan om een handeling met betrekking tot de gedeelten die niet bestemd zijn als afzonderlijk geheel gebruikt te worden en in de tweede plaats om een handeling die betrekking heeft op een privé-gedeelte (…). Door deze omschrijving wordt voorkomen dat aan het artikel een te ruime toepassing zou kunnen worden gegeven, bijvoorbeeld wanneer een deel van de gezamenlijke appartementseigenaars (…) op een of meer van de bij de splitsing betrokken percelen een erfdienstbaarheid zouden willen vestigen en de overigen hun medewerking hiertoe weigeren.”
De bedoeling van de wetgever was dus om een beperkt toepassingsbereik te geven aan de mogelijkheid om een vervangende machtiging te vragen.
Uit de tekst van de beschikking van het Gerechtshof valt overigens ook wel af te leiden dat hij mogelijk twijfelt over de juistheid van zijn redenering. In elk geval wordt de mogelijkheid dat die redenering geen stand houdt, expliciet open gehouden. Rechtsoverweging 8.11 opent namelijk met de woorden: “Voor het geval zou moeten worden geoordeeld dat de benoeming van een nieuw bestuur niet onder de reikwijdte van artikel 5:121 BW valt, overweegt het hof als volgt.” Daarna komt een redenering die naar mijn mening wel juridisch sluitend is. Deze redenering laat bovendien zien dat toepassing van artikel 5:121 BW in dit soort gevallen niet eens nodig is.
Het Gerechtshof past vervolgens namelijk de ‘gewone’ redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW toe. Daaruit volgt dat appartementseigenaren zich jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid eisen. Onder de gegeven omstandigheden, waarin de VvE onbestuurbaar is door de verstoorde verhoudingen, brengt dat mee dat zij gehouden zijn om hun medewerking te verlenen aan de benoeming van een nieuwe en onpartijdige bestuurder. Dit legt het Hof uit in overweging 8.11:
Het Hof oordeelt vervolgens:
“Het hof is daarom van oordeel dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval meebrengen dat [belanghebbende] en [geïntimeerde] beiden hun medewerking behoren te verlenen aan de benoeming van een nieuwe en onpartijdige bestuurder, en dat – als zij dit nalaten – het hof de aldus ontstane impasse behoort te kunnen doorbreken door zelf een ander, onafhankelijk bestuurder te benoemen met toepassing van artikel 2:8 jo. 5:121 BW.”
Die laatste zin vind ik dan weer vrij opmerkelijk. Om te beginnen is het niet juist dat daar wordt teruggegrepen op artikel 5:121 BW. Dat is niet alleen onnodig, maar de hele redenering in rechtsoverweging 8.11, gaat er namelijk vanuit dat 5:121 géén toepassing vindt in de onderhavige kwestie. Waarom het oordeel in die overweging dan toch weer (mede) op artikel 5:121 BW wordt gebaseerd, begrijp ik niet goed.
Bovendien zegt het Gerechtshof daar dat als de eigenaren niet uit de impasse komen, dat het Gerechtshof “met toepassing van artikel 2:8 jo. 5:121 BW”, “zelf een ander, onafhankelijk bestuurder” kan benoemen. Dat is niet juist. Artikel 5:121 BW verleent immers slechts de bevoegdheid aan de rechter om een machtiging daarvoor te verlenen aan een belanghebbende, niet om zelf een bestuurder te benoemen. Het was naar mijn mening dus beter geweest als het Gerechtshof de verwijzing naar art. 5:121 BW in rechtsoverweging 8.11 achterwege had gelaten.
Als jouw VvE in een impasse zit over het benoemen of ontslaan van een bestuurder van de VvE, kan je bij Lexys terecht. Waar mogelijk zullen wij dan zeker een beroep doen op de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Of dat dan ook het gedeelte betreft waarin een vervangende machtiging wordt gevraagd voor het benoemen of ontslaan van een bestuur, valt te betwijfelen. Daarvoor geldt naar mijn mening namelijk het volgende:
Vooral dat laatste vind ik goed nieuws voor de VvE-praktijk. Het komt namelijk vaak voor dat (met name kleine) VvE’s vast zitten in impasses, waar maar heel moeilijk uit te komen is. Met deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, komt daar nu gelukkig wel verandering in.