09 juli 2026
Inhoudsopgave
Het retentierecht is één van de sterkste rechten die een aannemer heeft die wordt geconfronteerd met een wanbetaler. Het retentierecht geldt overigens niet alleen voor aannemers, maar ook voor andere schuldeisers, zoals hotelhouders, expediteurs, vervoerders en erfpachters. Ook garagebedrijven kunnen het retentierecht uitoefenen, bijvoorbeeld op een net door hen gerepareerde auto.
Het retentierecht is het recht van een schuldeiser om de afgifte van een zaak (zoals een woning) aan zijn schuldenaar uit te stellen totdat de openstaande factuur is betaald. Onder het werk van een aannemer valt dat het werk wordt opgeleverd en de sleutels vervolgens worden overgedragen. In feite kan een aannemer een woning dus aan de ketting leggen en de sleutels vasthouden totdat er betaald is. De schuldenaar heeft tot die tijd geen toegang tot zijn woning. Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen derden die een recht hebben op de zaak.
Verder geldt dat het retentierecht ondeelbaar is. Dat houdt in dat het retentierecht blijft bestaan totdat de gehele vordering is voldaan. Het kan gebeuren dat de vordering betrekking heeft op meerdere zaken. Ook in dat geval geldt in beginsel dat de schuldeiser die het retentierecht uitoefent (de retentor) niet gehouden is om een (deel van) die zaken af te geven, ook niet als een daarmee corresponderend deel van de factuur is voldaan.
Het retentierecht mag echter niet zomaar worden uitgeoefend. Er moet voldaan zijn aan drie voorwaarden. Allereerst moet de aannemer een opeisbare vordering hebben op zijn klant. Daarnaast moet de aannemer het werk feitelijk in zijn macht hebben. Vervolgens moet de aannemer de uitoefening van het retentierecht ook kenbaar maken.
De vordering van de aannemer moet opeisbaar zijn en moet voldoende samenhangen met zijn verplichting tot afgifte van de zaak. Als vuistregel geldt dat de vordering van de retentor pas ontstaat zodra hij de door hem verschuldigde prestatie heeft verricht. Dit kan anders zijn, indien partijen iets anders zijn overeengekomen. In geval van een overeenkomst van opdracht geldt volgens de Hoge Raad (17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2901):
“In de wet is ten aanzien van de overeenkomst van opdracht niet in algemene zin geregeld op welk moment loon verschuldigd wordt (vgl. art. 7:405 BW). Uit de aard van zodanige overeenkomst vloeit evenwel voort dat de vordering tot betaling van loon (behoudens andersluidende partijafspraak) ontstaat nadat de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht. Indien de opdracht behelst dat gedurende langere tijd werkzaamheden worden verricht, of betrekking heeft op werkzaamheden die uit meerdere onderdelen bestaan, kan dat meebrengen dat tussentijds, dat wil zeggen voordat de opdracht geheel is uitgevoerd, loonaanspraken ontstaan.”
Bij een overeenkomst van aanneming van werk geldt dat de vordering pas ontstaat op het moment dat het werk is opgeleverd. Vaak is het echter zo dat de prestatie van een aannemer uit meerdere deelprestaties bestaat. Regelmatig wordt dan ook afgesproken dat de aanneemsom in termijnen dient te worden betaald. Die termijnen houden dan verband met het realiseren van bepaalde onderdelen van het werk. Zo oordeelde de Hoge Raad op 2 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2729):
“3.6.5 In deze zaak is sprake van aannemingsovereenkomsten die strekken tot de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, als bedoeld in art. 7:765 BW. De prestaties waartoe deze overeenkomsten verplichten – de bouw van een woning enerzijds en de betaling van de aanneemsom anderzijds – zijn daarin opgedeeld in verschillende, tegenover elkaar staande (deel)prestaties, te weten de diverse bouwwerkzaamheden en de termijnen van de aanneemsom. De opdracht tot het meerwerk en de betaling daarvan zijn op vergelijkbare wijze in die overeenkomsten geregeld (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)). Deze contractuele regeling houdt in dat de termijnen van de aanneemsom, respectievelijk het restant (75%) van de meerwerkopdrachtsom eerst na voltooiing van de desbetreffende bouwfase of het meerwerk gefactureerd (kunnen) worden. Deze regeling is overeenkomstig het in art. 7:767 BW bepaalde, dat inhoudt dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw, welke bepaling strekt ter bescherming van de in art. 7:765 BW genoemde opdrachtgever en waarvan bij de hier aan de orde zijnde overeenkomsten niet in zijn nadeel kan worden afgeweken (art. 7:769 BW).”
De vordering moet daarnaast opeisbaar zijn. Als er geen termijn voor nakoming overeen is gekomen, is de vordering terstond opeisbaar. Een aannemer zal vaak te maken hebben met een schuldenaar die de factuur niet voldoet. Vanaf het moment dat de vervaldatum van de factuur is verstreken, is de vordering opeisbaar. Een factuur versturen en de volgende dag het retentierecht inroepen, is dan ook onrechtmatig. De factuur is dan immers nog niet vervallen.
Naast dat de retentor een opeisbare vordering moet hebben, moet er een verplichting bestaan tot afgifte van de zaak. Dat komt erop neer dat de aannemer het werk feitelijk in zijn macht moet hebben. Dat betekent dat de machtsuitoefening van de retentor dusdanig moet zijn dat zij eraan in de weg staat dat de rechthebbende zijn zaak vrijelijk kan gebruiken.
De feitelijke macht kan zowel middellijk als onmiddellijk zijn. Een voorbeeld van middellijke macht is wanneer een aannemer het retentierecht uitoefent door middel van een beveiligingsbedrijf of een onderaannemer. Wanneer de sleutels al zijn overhandigd aan de klant, heeft de aannemer het werk niet meer feitelijk in zijn macht.
Voorwaarde is verder nog dat de retentor de feitelijke macht moet hebben verkregen als gevolg van de normale uitvoering van zijn werkzaamheden. Dat betekent dus dat niet eigenhandig een retentierecht kan ontstaan door een onrechtmatige toe-eigening van de feitelijke macht over de zaak.
Ten derde moet de aannemer de uitoefening van het retentierecht kenbaar maken aan derden. Dat kan gedaan worden door een bord op te hangen op het hek dat rondom de woning staat, waarop staat dat de aannemer het retentierecht uitoefent.
Nadat je gecontroleerd hebt of dat je een opeisbare vordering hebt op jouw klant, en je de feitelijke macht over de zaak hebt, kan je het retentierecht gaan uitoefenen. Je wil de feitelijke macht over de zaak echter wel behouden. Immers, zodra de zaak in de feitelijke macht van de rechthebbende komt, eindigt het retentierecht. Om het retentierecht rechtsgeldig uit te oefenen, moet het werk daadwerkelijk worden afgesloten of anderszins ontoegankelijk worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van hekken, het veranderen van sloten, of het niet afgeven van sleutels.
Ook moet het uitoefenen van het retentierecht kenbaar worden gemaakt. Een gebruikelijke manier om dat te doen, is door een bord te plaatsen bij het werk met een tekst in lijn met de volgende:
“Hier wordt het retentierecht uitgeoefend.”
Dus: sluit het werk af, en plaats een bord waarop het retentierecht kenbaar wordt gemaakt.
Het retentierecht eindigt doordat de zaak in de macht van de schuldenaar komt. Als schuldenaar kan je ook opheffing van het retentierecht vorderen in een kort geding. Een andere mogelijkheid om de aannemer tot opheffing te bewegen, is door hem zekerheid tot voldoening van zijn vordering te geven door bijvoorbeeld een bankgarantie te stellen.
Het retentierecht geldt ook indien de schuldenaar failliet is verklaard. De curator heeft echter wel de bevoegdheid om de zaak ten behoeve van de boedel op te eisen en te verkopen. De retentor kan wel een redelijke termijn stellen aan de curator om tot die opeising en verkoop over te gaan. Indien de curator binnen die termijn niet verkoopt, kan de retentor de zaak alsnog verkopen.
Wanneer er later beslag wordt gelegd op de zaak waarvoor reeds het retentierecht wordt uitgeoefend, kan de retentor zijn recht ook uitoefenen tegen de beslaglegger. Dat is anders, indien er al beslag gelegd was vóórdat het retentierecht werd uitgeoefend. In dit geval kan de retentor zijn recht niet tegen de beslaglegger inroepen.
Als niet aan de drie hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan en het retentierecht dus onrechtmatig wordt ingeroepen, is de aannemer schadeplichtig. De aannemer moet dan de schade die het gevolg is van het onrechtmatig inroepen van het retentierecht vergoeden. Die schade is echter nog niet zo gemakkelijk vast te stellen. Zo oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant recent dat er geen causaal verband bestond tussen de schade en het inroepen van het retentierecht, en de vordering tot schadevergoeding daarom werd afgewezen.
Kortom, er zitten haken en ogen aan het retentierecht en onrechtmatige uitoefening van het retentierecht kan grote gevolgen hebben voor aannemers. Toch blijft het retentierecht een heel sterk incassomiddel. Het verbreken van het retentierecht is namelijk zelfs strafbaar (zie artikel 348 van het Wetboek van Strafrecht).
Heb jij te maken met een wanbetaler? Laat je juridisch goed adviseren omtrent de mogelijkheden met betrekking tot het uitoefenen van het retentierecht.