01 november 2026
Onlangs heeft de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2026:9874) een integrale proceskostenveroordeling uitgesproken, en wel om een opvallende reden: er was sprake van een obscuur libel. Obscuur libel betekent dat een processtuk zo onduidelijk, warrig of tegenstrijdig is dat er geen touw aan vast te knopen is. Artikel 111 lid 2 sub d Rv bepaalt dat een dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet bevatten. Artikel 120 lid 1 bepaalt dat een dagvaarding nietig is indien daar niet aan wordt voldaan.
In deze zaak ging het om de verdeling van exploitatie-inkomsten van een muzieknummer. De rechter overwoog echter dat de dagvaarding zeer onduidelijk en onleesbaar was, en kwalificeerde het als een obscuur libel:
“4.16. Vanwege de vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden (waaronder diverse muzieknummers en remixen, zie 4.1) en het voortdurend door elkaar bespreken van contractuele en wettelijke grondslagen was het op basis van de dagvaarding voor gedaagden onduidelijk waartegen zij verweer moeten voeren en voor de rechtbank waaraan zij de vorderingen moet toetsen. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid is aan te merken als een obscuur libel. Ingevolge artikel 111 lid 2 onder d en artikel 120 Rv lid 1 is een dergelijke dagvaarding nietig.”
Gedaagde had zich echter niet op de nietigheid beroepen en was in het geding verschenen, waardoor de rechter aan de onleesbaarheid in eerste instantie geen gevolg verbond:
“Aangezien Moonlight c.s. is verschenen in deze procedure en geen beroep gedaan heeft gedaan op nietigheid van de dagvaarding, heeft het niet voldoen aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid echter geen verdere gevolgen (artikel 122 Rv)”
De rechtbank wees de vorderingen van eiser af omdat onvoldoende was gesteld en gebleken dat partijen afspraken hadden gemaakt omtrent de verdeling van de exploitatie-inkomsten.
De partij die door de rechter in het ongelijk wordt gesteld dient de proceskosten van de wederpartij te betalen. Onder proceskosten valt in ieder geval het griffierecht en (een deel van) het salaris van de advocaat. Er zijn drie soorten proceskostenveroordelingen: i) de reguliere, ii) de redelijke (in IE-zaken) en iii) de werkelijke. De rechtbank vond de dagvaarding in deze zaak zo onduidelijk, dat hij de eiser veroordeelde in de daadwerkelijke proceskosten van de gedaagde.
In ‘normale’ procedures wordt in feite slechts een klein deel van de advocaatkosten vergoed. In Nederland wordt namelijk gewerkt met een zogenoemd liquidatietarief waarbij aan elke proceshandeling een bepaald aantal punten is toegekend. Een punt vertegenwoordigd een bepaald bedrag. In de praktijk bedragen de proceskosten die worden vergoed door de verliezende partij echter vaak een stuk lager dan de daadwerkelijk gemaakte kosten.
In intellectuele eigendomszaken ligt dat anders. Artikel 1019h Rv bepaalt namelijk dat de in het ongelijk gestelde partij in de “redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten” kan worden veroordeeld die de in het gelijkgestelde partij heeft gemaakt. De in het gelijkgestelde partij moet dit dan wel gevorderd hebben.
Voor een dergelijke toewijzing hanteren rechtbanken indicatietarieven voor wat dan onder redelijke en evenredige proceskosten valt. Dit betreffen echter richtlijnen dus de rechter mag hiervan afwijken.
Omdat eiser verloren had, en het een IE-zaak betrof zou eiser in beginsel veroordeeld kunnen worden in de redelijke proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. De Rechtbank was echter van oordeel dat in onderhavig geval sprake was van een uitzonderlijk geval, waarin aanleiding was om eiser in de werkelijk gemaakte kosten te veroordelen. Die uitzonderlijke situatie was het feit dat de dagvaarding zo onduidelijk en onleesbaar was dat de advocaat van gedaagde logischerwijs veel meer tijd nodig had om de stukken te begrijpen, doorgronden en daar een deugdelijk verweer op te voeren:
“Zoals hiervoor onder 4.15 en 4.16 is overwogen, bevat de dagvaarding vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden, met verwijzingen naar honderden pagina’s aan producties, en voldoet zij niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. Dat maakt dat de advocaten van Moonlight c.s. logischerwijs meer dan de gebruikelijke tijd nodig hebben gehad om de stellingen van [eisende partij] te doorgronden en daartegen verweer te voeren. Dat heeft overigens geresulteerd in relatief beknopte processtukken met een helder en overzichtelijk verweer aan de zijde van Moonlight c.s.“
Per saldo moest eiser een bedrag van € 31.262,40 aan proceskosten van gedaagde betalen.
Uit bovenstaande uitspraak blijkt maar weer dat een goede advocaat of jurist het verschil kan maken in jouw zaak. Met behulp van AI kunnen weliswaar uitgebreide en op het eerste gezicht professioneel klinkende teksten worden gegenereerd, maar die teksten kunnen ook zó onduidelijk en omstreden zijn dat jouw vordering wordt afgewezen én je ook nog eens een sanctie aan de broek krijgt.