05 november 2024
Inhoudsopgave
Als je ten laste van je schuldenaar conservatoir beslag of executoriaal beslag legt onder een derde, dan moet die derde een zogenaamde derdenverklaring afleggen. Dat is een verklaring waarin staat hoeveel de derde-beslagene aan de schuldenaar moet betalen. De derde onder wie beslag wordt gelegd is vaak een bank, maar het kan bijvoorbeeld ook een huurder zijn, de opdrachtgever van een aannemer, of een willekeurige ander soort partij. Het gaat erom dat die iets verschuldigd is aan de schuldenaar. Aan de hand van de derdenverklaring weet de schuldeiser welk gedeelte van zijn vordering hij bij die derde-beslagene kan gaan ophalen.
In de wet staat dat de derde verplicht is om een verklaring af te leggen. Die verklaring moet binnen twee weken nadat het beslag is gelegd worden afgegeven aan de schuldeiser. De schuldenaar kan binnen die twee weken nog een verzoek doen aan de derde-beslagene, om met het afleggen van de derdenverklaring te wachten. Als de schuldenaar dat verzoek heeft gedaan, moet de derdenverklaring twee weken later (dus vier weken nadat het beslag is gelegd) worden afgegeven. In de derdenverklaring moet staan wat de derde-beslagene aan de schuldenaar verschuldigd is. Daarnaast moet erin staat of hij iets verschuldigd gaat worden uit een rechtsverhouding die op het moment van de beslaglegging reeds bestond. Ook als de derde-beslagene roerende zaken onder zich houdt, moet hij dat op de derdenverklaring aangeven.
Derdenbeslag, of het nu om conservatoir beslag of executoriaal beslag gaat, komt in diverse vormen voor. In alle gevallen waarin een derde iets aan een schuldenaar verschuldigd is, kan daarop beslag worden gelegd. De meest voorkomende vormen van derdenbeslag zijn:
Als de derde beslagene geen verklaring aflegt, dan kan die veroordeeld worden om aan de schuldeiser het volledige bedrag te betalen wat de schuldenaar aan hem verschuldigd is. De derde-beslagene wordt dan in feite zelf (mede)schuldenaar van de schuldeiser. Daarnaast moet die aan de schuldeiser dan zijn schade vergoeden die het gevolg is van het niet afleggen van de verklaring. Dit is een vrij verstrekkende sanctie. Die is in de wet opgenomen om ervoor te zorgen dat derde-beslagenen ook daadwerkelijk een (juiste) verklaring afleggen. De schuldeiser moet dan wel eerst een vordering instellen bij de rechter om de derde-beslagene hoofdelijk veroordeeld te krijgen. In de praktijk wordt dan vaak alsnog een verklaring afgelegd. In dat geval moet hij nog wel de kosten die de schuldeiser heeft moeten maken vergoeden.
In een recente zaak die speelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:4078), werd de B.V. van een schuldenaar hoofdelijk veroordeeld om aan de beslaglegger te voldoen wat de schuldenaar aan de beslaglegger verschuldigd was. De schuldenaar was de DGA van de B.V. De beslaglegger had beslag gelegd op hetgeen dat de B.V. aan diens DGA verschuldigd was. De B.V. had verklaard niets verschuldigd te zijn. Het Gerechtshof veroordeelde de B.V. in die zaak gelet op het summiere karakter van de verklaring tot betaling aan de schuldenaar van de vordering waarvoor beslag was gelegd.
Als er een onjuiste of onvolledige derdenverklaring wordt afgelegd, kan de schuldeiser deze betwisten. De schuldeiser kan ook verlangen dat de derde-beslagene de derdenverklaring aanvult. De termijn daarvoor is kort en wordt streng gehandhaafd. Een vordering waarin de derdenverklaring wordt betwist of waarin wordt gevorderd dat de derde-beslagene de derdenverklaring aanvult, moet binnen twee maanden nadat de derdenverklaring is afgelegd, worden ingesteld. Daarna vervalt deze bevoegdheid.
Let wel: dit kan alleen bij executoriaal beslag. Artikel 477a Rv (waar de gerechtelijke verklaring is geregeld) is namelijk niet van overeenkomstige toepassing bij conservatoir beslag. Verder is in de wet bepaald dat de bevoegdheden uit dat artikel pas ingaan vier weken nadat het vonnis aan de derde beslagene is betekend (artikel 723 Rv). Naar mijn mening laat dit onverlet dat de derde beslagene van wie wordt vermoed en waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat die een onjuiste verklaring heeft afgelegd, in kort geding wordt veroordeeld om alsnog een (juiste) verklaring af te leggen. De sanctie van artikel 477a Rv dat die derde beslagene hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de schuld, geldt dan echter niet.
Verder is van belang dat de advocaat van de executant (de schuldeiser) die een gerechtelijke verklaring ontvangt, daarvan binnen drie dagen een afschrift stuurt aan de geëxecuteerde (de schuldenaar). Soms is er sprake van een samenloop tussen de onvolledige derdenverklaring of een onjuiste derdenverklaring. Een verklaring kan namelijk zo summier zijn, dan die in feite moet worden aangemerkt als het uitblijven van een verklaring. In het kader van de vordering een gerechtelijke verklaring af te leggen, kan de derde-beslagene daarom ook worden veroordeeld om de verklaring met stukken te onderbouwen.
Als er beslag is gelegd op vorderingen, dan mag de derde-beslagene geen betalingen doen aan de schuldenaar van de beslaglegger. Doet de derde-beslagene dat toch, dan kan die betaling niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen. Als de derde-beslagene bijvoorbeeld €100,- aan de beslagene verschuldigd is en hij betaalt deze aan de beslagene uit, dan kan de beslaglegger alsnog tot die € 100,- verhaal halen op de derde-beslagene. De beslaglegger mag dan doen alsof die betaling aan de beslagene nooit heeft plaatsgevonden.
Het verstrekken van een te beknopte of onjuiste verklaring kan dus zeer verstrekkende gevolgen hebben. Bovendien verhindert het de beslaglegger in het halen van verhaal voor zijn vordering. Ben je beslaglegger, derde-beslagene of schuldenaar en heb je vragen over een lopende of aanstaande executie? Neem dan contact op met de advocaat beslag- en executierecht van Lexys Advocaten.