17 september 2025
De Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2025:10807) heeft afgelopen week een uitspraak gedaan in een geschil tussen twee havenloodsen. De ene loods beschuldigt de ander van plagiaat. Eiser verzorgt in opdracht van IMCO (International Maritime College Oman) in 2022 een verplichte pilotcursus voor Omani loodsen. Daarvoor heeft eiser een boekwerk samengesteld waarvan eiser het voorwoord zelf heeft geschreven. Dit boekwerk heeft als naam: ‘’Manoeuvring ships on paper’’. Gedaagde bevindt zich eveneens in de sector van loodsen, en heeft ook in Oman gewerkt. Hij was gedurende enige tijd zelfs de leidinggevende van eiser. Gedaagde heeft, toen eiser weer terug naar Nederland is gegaan, ook een cursus voor het IMCO verzorgd. Voor die cursus heeft gedaagde gebruik gemaakt van het boekwerk van eiser. Hij heeft de tekst ongewijzigd gelaten. Wel heeft hij de titel veranderd in: ‘’The theory of manoeuvring ships’’. Verder heeft gedaagde het voorwoord enigszins aangepast en de omslag van het boek vervangen door twee foto’s. Jim de Rouw is jurist intellectueel eigendom en bespreekt de casus.
Eiser stelt dat gedaagde inbreuk maakt op zijn auteursrechten en daarmee onrechtmatig handelt. Zijn vorderingen steunen op twee punten:
Volgens de rechter staat het vast dat het voorwoord, opgemaakt door eiser, een ‘werk’ is in de zin van de Auteurswet. Daarom is het voorwoord beschermd.
Nu gedaagde grote delen van het voorwoord letterlijk heeft overgenomen is er strijd met artikel 25 Auteurswet. Daar komt bij dat hij de tekst maar beperkt heeft aangepast. Bovendien heeft gedaagde onder het voorwoord zijn eigen naam heeft gezet in plaats van die van eiser. Daarmee wordt niet alleen de indruk gewekt dat gedaagde de maker is, maar lijkt bovendien dat eiser dat niet (meer) is.
Volgens de rechter is dat laatste ook een onrechtmatige daad, omdat het vermelden van je eigen naam onder andermans werk, in strijd is met wat het maatschappelijk verkeer betaamt. Hiervan is mede van belang dat eiser en gedaagde bekend met elkaar waren, en gedaagde eventueel met eiser had kunnen overleggen, dit had van hem in redelijkheid dan ook mogen worden gevergd.
De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat eiser het auteursrecht heeft over de inhoud van het boekwerk. Dat komt onder andere omdat eiser niet het gehele boekwerk aan de rechtbank heeft getoond. Bovendien heeft hij zelf aangegeven dat het bestaat uit een verzameling van diverse teksten. De rechtbank overweegt:
“De rechtbank kan zich in die situatie geen behoorlijk beeld vormen van het boekwerk. Verder is er, gelet op de niet aanstonds falende verweren, zoveel onduidelijkheid over de inhoud daarvan dat er niet, zeker niet zonder meer, vanuitgegaan kan worden dat [eiser] rechthebbende op het gehele boekwerk is (al dan niet als verzamelaar in de zin van art. 5 Aw) en uit dien hoofde kan optreden tegen inbreukmakers.”
Daar kwam volgens de rechtbank nog het volgende bij. Zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat eiser rechthebbende is van het boekwerk, is voor de toewijzing van de vorderingen noodzakelijk dat gedaagde inbreuk maakt op die rechten. De rechtbank vindt dat van een inbreuk door gedaagde niet is gebleken. Gedaagde handelde namelijk in opdracht van het IMCO, die van eiser een eeuwigdurende licentie op het boekwerk had gekregen.
Eiser heeft gesteld dat hij schade lijdt door de inbreuk op zijn auteursrechten. Het plagiaat zou namelijk negatieve gevolgen hebben voor de met het boekwerk te realiseren inkomsten. Eiser zegt namelijk dat hij het boekwerk commercieel wil gaan exploiteren. Gedaagde betwist dat. Dat verweer van gedaagde slaagt. Volgens de rechtbank bestaat het boekwerk grotendeels uit bestaande teksten, waaronder formules, algemeen bekende principes en passages uit andere bronnen. Eiser heeft daarbij onvoldoende onderbouwd dat hij zelf rechthebbende is of toestemming heeft van de oorspronkelijke auteurs voor gebruik voor commerciële uitgave. Ook is niet aannemelijk dat eiser door een eventuele schending van zijn persoonlijkheidsrechten schade heeft geleden, omdat het onzeker is of hij het boek commercieel zou mogen worden uitgegeven. De schadevordering van eiser worden voor het grootste deel afgewezen.
De vorderingen van eiser worden daarom voor het grootste deel afgewezen. De kwestie is daarmee echter nog niet klaar. Toen er brieven aan hem werden gestuurd, heeft hij daar ‘laconiek’ op gereageerd. De rechter vindt daarom dat gedaagde de rechtszaak aan zichzelf te danken heeft en veroordeelt hem in de proceskosten. Die zijn niet mager. Hij moet ruim € 8.000,- aan advocaatkosten aan de eiser vergoeden:
“4.19 De vorderingen worden voor het grootste deel afgewezen, maar gelet op de afwijzende en laconieke reactie van [gedaagde] op de buitengerechtelijke brieven was deze procedure wel nodig voor [eiser] om vast te laten stellen dat het onder het slechts marginaal gewijzigde voorwoord zetten van de naam van [gedaagde] in plaats van die van [eiser] niet toelaatbaar was. Daarom zal [gedaagde] in de kosten worden veroordeeld, waarbij wordt uitgegaan van het indicatietarief voor een eenvoudige zaak (maximaal € 8.000).”
Dat is een extra reden om adequaat te reageren als je word aangesproken op een (vermeende) schending van auteursrechten. Want zelfs als dat later onterecht blijkt te zijn, kan je houding tot gevolg hebben dat je een forse proceskostenvergoeding aan je wederpartij moet betalen.