01 oktober 2025
Inhoudsopgave
De meeste geschillen bij de maatschap of de VOF (vennootschap onder firma) gaan over geld. Dat komt vaak voor wanneer de samenwerking eindigt en er gesproken moet worden over de eindafrekening. Een andere bron voor discussie is de vraag of de winsten en verliezen gelijkelijk moeten worden verdeeld, danwel dat die verdeling naar rato van ieders inbreng gaat. Advocaat Robert van Ewijk is gespecialiseerd in geschillen in de maatschap en de VOF en legt uit hoe het zit.
Als er een schriftelijke of stilzwijgende overeenkomst is tussen de vennoten waaruit blijkt hoe de winsten en verliezen moeten worden verdeeld, dan is die overeenkomst het uitgangspunt. Als er dan geschillen zijn over de hoogte van ieders winstaandeel of aandeel in de verliezen, komt dat meestal omdat er discussie is over de wijze waarop de winst of het verlies is berekend. Een andere rekenmethode, kan namelijk leiden tot een ander resultaat. In dit blog houd ik mij bezig met de situatie waarbij er niets is afgesproken over het verdelen van de winsten en verliezen. Dat komt vaker voor dan je denkt. Ondernemers beginnen vaak vol enthousiasme aan hun nieuwe bedrijf. Zij denken er dan niet altijd goed over na om zaken op papier te zetten. Pas op het moment dat het misgaat, worden zij daarmee geconfronteerd. Dat kan leiden tot hoog oplopende geschillen.
De regels van de maatschap staat in boek 7A BW. De regels over de VOF staan in het Wetboek van Koophandel. De VOF is een bijzondere vorm van de maatschap, namelijk de maatschap die naar buiten treedt onder een gemeenschappelijke handelsnaam. In artikel 7A:1670 BW (in de titel over de maatschap), staat hoe de winsten en verliezen moeten worden verdeeld als er niets is afgesproken in een overeenkomst. De hoofdregel staat in art. 7A:1670 lid 1 BW. De wet gaat ervan uit dat het aandeel van iedere vennoot is geëvenredigd aan zijn inbreng. Die inbreng hoeft niet perse alleen te bestaan uit arbeid, maar kan ook bestaan uit inbreng van geld, goederen of andere zaken of diensten.
Voor de situatie dat één van de vennoten uitsluitend arbeid heeft ingebracht, bepaalt de wet (art. 7A:1670 lid 2 BW) dat diens aandeel in de winst gelijk is aan het aandeel van de vennoot die het minst heeft ingebracht. In de situatie dat er slechts twee vennoten zijn, betekent dit in de praktijk dat wanneer één van de vennoten slechts arbeid heeft ingebracht, dat dan een gelijk winstaandeel geldt. In de literatuur wordt echter kritisch naar deze regel gekeken. Volgens diverse auteurs moet deze bepaling beperkt worden uitgelegd. Namelijk zodanig dat die regel uitsluitend geldt als de betreffende vennoot werkelijk niets anders dan zijn arbeid heeft ingebracht. Als er meer is ingebracht dan alleen arbeid, geldt voornoemd artikellid niet. Zie bijvoorbeeld Asser/Van Olffen 7-VII 2022/68, Tervoort, in: GS Personenassociaties, nr. 2.8.1.1 en Mohr/Meijers 2022/2.8.
Deze uitzondering (gelijke winstdelen) op de hoofdregel (verdeling naar rato van inbreng) is in het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF2167) bevestigd, maar daarbij is wel opgemerkt dat een dergelijke verdeling onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (r.o. 3.6.). Wanneer sprake is van een dergelijke onaanvaardbaarheid, wordt in de conclusie van de A-G bij dat arrest besproken (ECLI:NL:PHR:2003:AF2167). Onder andere kan gedacht worden aan de situatie dat de andere vennoot niet voldoende aan haar verplichting tot inbreng van arbeid voldoet en – wanneer die verplichting wel wordt nagekomen – daarbij niet de kwaliteit levert die mag worden verwacht.
De A-G noemt onder verwijzing naar de literatuur ook de situatie waarbij een van de vennoten (ongeacht de oorzaak daarvan) slechts parttime voor de vennootschap beschikbaar is. Ook in dat geval moet, met toepassing van voornoemd arrest, een billijkheidscorrectie plaatsvinden van het winstaandeel. De A-G:
“Indien vanaf het begin af aan of tijdens het bestaan van de vennootschapsovereenkomst onduidelijk is of (sommige) vennoten slechts part-time voor de vennootschap beschikbaar zijn, lijkt het redelijk dat de uiteenlopende arbeidsprestaties worden getaxeerd en de winstdeling daarmee in overeenstemming wordt gebracht (Vgl. Asser-Maeijer 5-V, nr. 68), zodat recht wordt gedaan aan het beginsel van art. 1670 of, zo men wil, art 6:248 BW.”
Het niet leveren van evenveel arbeid als de andere vennoot, kan onder omstandigheden ook een tekortkoming in de nakoming van diens verplichtingen opleveren. Prof. mr. M. van Olffen merkt in zijn noot onder het arrest op (JOR 2003/79):
“Indien blijkt dat een vennoot niet aan zijn inbrengverplichting voldoet doordat hij te weinig arbeid beschikbaar stelt, dan past daar ook een reductie in winstgerechtigheid, althans een netto lagere afdracht in verband met een verrekening van de vordering in verband met verzuim.”
Als er geen VOF-overeenkomst is, kunnen er geschillen ontstaan over de verdeling van de winsten. Maar dat kan ook in de situatie dat er wel een (schriftelijke) overeenkomst bestaat. De advocaten van Lexys zijn gespecialiseerd in dat soort geschillen. Neem contact met ons op voor meer informatie over wat wij voor jou kunnen betekenen.