18 maart 2026
Na meer dan twee jaar procederen (en afschrijving) heeft de verkoper van een Porsche Panamera 4 E-hybrid eindelijk duidelijkheid. De ‘koper’ is er niet in geslaagd om de rechter ervan te overtuigen dat hij de koopsom van €80k in bundeltjes cash zou hebben betaald. De rechter gaat er daarom vanuit dat de ‘koper’ de op Marktplaats aangeboden Porsche, heeft gestolen. De zaak begon in de zomer van 2022 en de uitspraak in deze zaak dateert van twee jaar later. Echter is die pas afgelopen week gepubliceerd (ECLI:NL:RBMNE:2025:7701). Voordat het tot een eindvonnis kwam, was er een bewijsopdracht nodig en kwamen er wel drie tussenuitspraken. De rode draad is voor de rechter duidelijk: “één van partijen in deze procedure […] moet [welbewust] liegen over wat er destijds is gebeurd”. Maar wat gebeurde er precies? Advocaat Robert van Ewijk bespreekt de zaak.
De Rotterdamse eigenaar van een hybride Porsche heeft deze in 2022 op Marktplaats te koop aangeboden. Vervolgens meldt zich een geïnteresseerde uit Utrecht. Die geeft aan €80.000,- te willen betalen. De Rotterdammer gaat daarmee akkoord en de Utrechter komt op een zaterdagavond langs om de auto te bekijken. Twee weken later komt de Utrechter opnieuw langs. De verkoper en hij gaan samen naar een garage om die te laten keuren. Als die gesloten blijkt, maken ze een afspraak voor de dag erna om de auto door een andere garage te laten keuren. Dat gebeurde echter niet. De Porsche wordt diezelfde avond nog in het kentekenregister van de RDW overgeschreven op naam van de man uit Utrecht.
De ochtend erna verdwijnt de auto van de oprit van de Rotterdammer: de Utrechter heeft hem meegenomen. De Rotterdammer geeft de auto als gestolen op en toont de autosleutel aan de politie. De reservesleutel heeft hij niet. De Utrechter doet aangifte tegen de Rotterdammer, omdat die een valse aangifte zou hebben gedaan.
In de winter van 2023 wordt de Porsche door de politie gevonden in een parkeergarage en in beslag genomen. De auto zou daar al enkele weken geparkeerd hebben gestaan.
De taak van de rechter in deze zaak was om te beslissen wie eigenaar is van de Porsche. Is dat de Rotterdammer omdat de Porsche van hem is gestolen? Of is dat de Utrechter die de auto keurig had gekocht? In zijn tussenvonnissen is de rechter daar nog niet uit, maar het is hem wel duidelijk dat iemand liegt:
“In deze zaak moet de rechtbank, op basis van de gang van zaken in augustus 2022, beoordelen wie op dit moment de eigenaar van de Porsche is. De verhalen van partijen over wat er in die periode is gebeurd, staan lijnrecht tegenover elkaar. Sterker nog, die verhalen lopen dusdanig uiteen dat geen sprake kan zijn van een misverstand of een onjuiste herinnering, maar dat één van partijen in deze procedure welbewust moet liegen over wat er destijds is gebeurd.”
De Utrechter pakt het juridisch aan en beroept zich op het bewijsvermoeden van artikel 3:109 BW. Dat bewijsvermoeden houdt in dat degene die een zaak in zijn macht heeft, daarvan ook de eigenaar is. Als gevolg van dit bewijsvermoeden, ligt het op de weg van de tegenpartij om te bewijzen dat niet de bezitter, maar hijzelf de eigenaar is van de zaak. De rechtbank vindt echter dat de stellingen van de Utrechter zo ongeloofwaardig zijn, dat hij het wettelijk bewijsvermoeden al op voorhand weerlegd vindt. De rechter heeft daarvoor verschillende redenen:
Tegenover de stellingen van de koper staan de stellingen van de verkoper. Ook daarop is de rechter kritisch. Die vindt het bijvoorbeeld vreemd dat de verkoper de overschrijvingscodes aan de Utrechter heeft getoond en dat die over de reservesleutel beschikte. De verkoper zegt daarover dat de Utrechter een list heeft gebruikt om ervoor te zorgen dat hij de codes toonde en stelt dat de Utrechter de reservesleutel mee gegrist moet hebben.
De rechter vindt de verklaringen van de Utrechter zo ongeloofwaardig, dat hij hem in zijn vonnis van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:7819) opdraagt om te bewijzen dat de verkoper de auto aan hem heeft overgedragen. Hij zal dan dus ook moeten bewijzen dat hij heeft betaald. Uit het eindvonnis van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:7701) blijkt dat dit niet gelukt is. De Utrechter heeft het volgende aangedragen:
De rechter concludeert daarom dat de Utrechter de Porsche “zonder toestemming van [eiser] [heeft] meegenomen”. Gestolen dus. In het civiele recht levert dat een onrechtmatige daad op. De Utrechter moet de auto daarom teruggeven zodra het strafrechtelijk beslag is opgeheven en moet schadevergoeding aan de verkoper betalen. Die schade moet tijdens een schadestaatprocedure worden begroot.
Dure auto’s zijn vaker onderwerp voor rechtszaken. Zo verscheen op de website van Lexys Advocaten eerder een blog over een ruzie over de koper van een Porsche met gebreken, die op zijn beurt essentiële informatie had verzwegen. Ook die koper vertelde niet de waarheid aan de rechter en kreeg een flinke tik op de vingers. Een andere zaak ging over de koper van een Ferrari die de verkoper van bedrog beschuldigde. Overigens ging de koper ook in die zaak nat. De Ferrari-dealer werd op alle punten in het gelijk gesteld. Naast het feit dat de drie procedures allemaal over (vrij dure) auto’s gingen, hebben ze gemeen dat de wijze waarop het procesrecht is toegepast, beslissend is geweest.